RALLY HDC OLDTIMERS – RIJSWIJK 1980.

Een wintervertelling van Henk Boonstra.

Vrijdagmorgen 8 augustus 1980. De lucht is donkergrijs en er valt een gestadige stroom regen. Later klaart het op. Ik vind dat niet erg, want dit is de eerste (en waarschijnlijk de enige) rally waar we tijd en gelegenheid voor hebben om dit jaar naar toe te gaan.

Omdat een 42 WLC niet zo prettig schijnt te rijden als je 7 maanden zwanger bent, gaat Doris op haar BMW R69S.

Alle bagage vindt plek in mijn zijspan, want onze beide dochters logeren veertien dagen bij Opa en ‘Noma’ in Friesland.

 

Om de vrijdagmiddagdrukte te mijden nemen we een route die ons langs Zandvoort, Vogelenzang, Hillegom en Sassenheim naar Wassenaar voert.
Om vijf uur precies zijn we op het Druivenlaantje in Wateringen, waar Aad Samwel en ik wat onderdelen uitwisselen.
Om een uur of zeven gaan we richting Rijswijk.
Het terrein waar de rally gehouden wordt ziet er fantastisch uit.
De Don Bosco Burcht is een oud landgoed dat tegenwoordig door paters wordt beheerd en dat functioneert als jeugdcentrum waar ook verslaafden en andere probleemgevallen opgevangen worden, zodat we ons er direct thuis voelen.
Bovendien is het een soort vrijplaats waar de politie geen toegang heeft.

Om het gebouw heen ligt een schitterend bos. We rijden een eindje door dit bos totdat we dicht bij de gracht onder de bomen een prachtig plaatsje vinden voor de tent.

Later in de avond gaan we naar het gebouw.
De bar begint al aardig vol te raken en buiten wordt gebarbecued.
Daar treffen we Joop Steenvoort, zo langzamerhand net als ik ook al één van de veteranen. Nog veel later komt ook Aad Samwel bij ons zitten, die een poging doen om zijn griepvirus op sterk water te zetten met behulp van Boomsma’s Berenburg, Strohrum en Heineken!! Of het in deze volgorde ècht helpt betwijfel ik, maar het is natuurlijk wel erg lekker.

HOEFFF! – Wat is er???

Bij de toiletten vraagt een meisje (nee, ik noem geen namen) of Doris tampons bij zich heeft. Misschien ziet ze niet zo scherp, of ze denkt heel slim dat je, als je 7 maanden zwanger bent, je je tampons toch niet nodig hebt…
Na een gezellige avond kruipen we om een uur of één in onze slaapzakken.
Een half uur later hoor ik naast me een hartgrondig: “Hoeff !”
“Wat is er?”
“De baby schopt me keihard… hee, ik word helemaal nat!?”
“Dan lijkt het me tijd worden dat we richting Heiloo gaan.”
“Laten we maar even afwachten, want ik voel verder nog niets.”
Tegen 3 uur maakt ze me wakker.
“Ik wil nu toch wel naar huis, want ik heb zo om de 20 minuten kramp in mijn buik.”
Ik loop door het bos naar het bruggetje over de gracht, dat afgesloten is met een groot smeedijzeren hek en dat bewaakt wordt door een paar mannen van de organisatie.
“Kan het hek straks open, want we willen naar huis.”
“Hoezo, bevalt het hier niet?”
Als ik uitgelegd heb dat dát nu juist waarschijnlijk wèl het geval is, loopt Aad Heijmans mee en licht me bij als ik de tent ga afbreken. Een uurtje later kunnen we weg.
De ‘kramp’ komt inmiddels regelmatig om het kwartier terug.
Doris zegt: “Nou moet je straks niet kwaad worden als straks thuis blijkt dat ik alleen maar verschrikkelijk nodig naar de wc moet.”
Als ik weer lucht heb maak ik haar duidelijk dat we dan wel ontzèttend ruzie krijgen.

Benzine!?!

Ik heb vrijdagmiddag de laatste kilometers naar Rijswijk al op reserve gereden en om vier uur ‘s nachts blijkt dat toch wel een beetje een probleem te zijn.
Gelukkig weten Aad en Hans in Den Haag een benzinestation dat de hele nacht open is.
Na een kwartiertje hebben we dat inderdaad gevonden. Het is alleen wèl een beetje gesloten…

Gelukkig loopt daar een Turk met zijn hondje te wandelen die ons haarfijn weet uit te leggen hoe we bij een andere benzinestation kunnen komen.
Dat is wèl de hele nacht open, voor de taxi’s.
Met een beetje zoeken lukt het ons ook dat te vinden.
Alleen… ook gesloten!We besluiten dan maar de snelweg op te gaan. Wie weet vinden we daar een benzinestation dat wèl geopend is. En mocht er onderweg wat gebeuren, dan kun je via een praatpaal altijd snel hulp krijgen, denk ik. Bovendien, wat kan er misgaan?
We hebben slaapzakken bij ons en de moeilijkheidsgraad van een bevalling wordt ook zwaar overschat. Ik heb het al twee keer gezien en dat redden we zelf ook wel.
Het is nog tamelijk donker en hier en daar ook erg mistig. Auto’s komen we nauwelijks tegen.

Dan begint mijn Harley WL te stotteren en even later stopt hij er helemaal mee.We zijn nog geen vijf kilometer van Den Haag…

Ik merk dat hij uitstekend rijdt zolang ik het licht uit laat. Doris gaat met haar BMW links achter me rijden. Ik bedenk dat als we nu door de politie worden aangehouden, deze ons prachtig naar Heiloo kan begeleiden. Dát zou nog eens een thuiskomst zijn!
Alleen jammer dat je die gasten nooit ziet als je ze wèl kunt gebruiken.
Bij een benzinestation ter hoogte van Leidschendam is een automaat waar je tientjes in kwijt kunt en als je boft krijg je daar benzine voor terug.
Helaas, het enige wat onze portefeuilles opboeren zijn twee honderdjes en wat metaalgeld. Daar sta je dan…
Na grondiger inspectie vind ik in een zijvakje nog een verkreukeld briefje van tien gulden dat ik waarschijnlijk heb vergeten terug te geven na het boodschappen doen (een goede gewoonte, die ik al sinds mijn vroegste kinderjaren met wisselend succes toepas; zo zie je maar weer).
Het wordt door de automaat meteen weer uitgespuugd.
Pas na x keer gladstrijken wordt het de derde keer door de machine geaccepteerd en werkelijk, ik krijg er een beetje benzine voor terug.
Als we zo nu en dan op een brug of een viaduct boven de mist uit kunnen kijken zien we dat de lucht in het oosten al helemaal doorschoten is met de meest fantastische kleuren en wanneer ter hoogte van Haarlem de mist verdwenen is beleven we een schitterende zonsopkomst.
Zo nu en dan kijk ik om, om te zien hoe het met Doris gaat. Telkens komt er dan een brede smile terug of ze steekt haar duim omhoog.

Half zeven zijn we thuis.

Omdat dat geen tijd is om de verloskundige te bellen zet ik eerst maar een stevige pot koffie.
Om zeven uur bel ik ‘zuster Engering’ uit bed.
Toch wel goed dat ik een beetje op tijd bel, want ze heeft vrij en is van plan om de hele dag naar het strand te gaan.
Ze zegt: “Ja, maar dat is natuurlijk wel twee maanden te vroeg, hè?
Het kan best weer overgaan hoor, loos alarm, dat heb je wel vaker in de zevende maand. Enfin, als jullie denken dat het weeën zijn neem je de tussentijd dan maar even op en als die om de vijf minuten komen, nou, dan moet je me nog maar even bellen. Doeg!”

Ik vertel aan Doris wat ze heeft gezegd. “Oh, maar tussen Uitgeest en Limmen heb ik de tijd al opgenomen en toen was het al om de vijf minuten.”
Zuster Engering staat twaalf minuten later gekleed in duster bij ons voor de deur.
Na een haastig onderzoekje racet ze ons met haar Fiat 500 Polski, ik met mijn 1.93m opgevouwen achterin, naar het ziekenhuis in Alkmaar.

Nog voor twaalven wordt Tsjerk geboren

(“Oh wat een schattig gezichtje, u hoeft niet te schrikken hoor, dat trekt wel weer bij.”).

Hij wordt meteen in de couveuse gelegd en daar zal hij nog wel een paar weken moeten blijven.
Toen ik de hoofdverpleegster vroeg of dit voor zijn verdere ontwikkeling nog gevolgen zou kunnen hebben, zei ze: “Nou, dat zou best eens kunnen, want Anton Geesink was ook een couveusekindje.”
Om misverstanden te voorkomen: zowel de verloskundige als de specialist hebben ons verzekerd dat de te vroege geboorte niets te maken heeft met het motorrijden. “We verbieden zwangere vrouwen ook niet om auto te rijden en als zo’n motor een goede vering heeft dan kan dat geen kwaad.” (Er bleek iets mis te zijn met de placenta en volgens de artsen zou Tsjerk nog een paar weken binnen zitten niet overleefd hebben).
Tsjerk is nu veertien dagen oud. Hij ligt geregeld dwars in de couveuse, trapt zich uit zijn luiers en het gaat uitstekend met hem.
Als híj geen motorrijder wordt weet ik niet wat je er als ouders nog méér aan zou kunnen doen!

Henk Boonstra.
Heiloo, 23 augustus 1980.